Leven op een dode boom: prachtig, teer – en het gaat goed - NRC

2022-03-02 09:57:55 By : Ms. Karen Gi

Vanwege het coronavirus werken onze medewerkers thuis.

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Biologie Als je weet waarop je moet letten, zie je ze met het blote oog: coniocarpen, schimmels die op dode bomen groeien.

‘Het zijn gouden tijden voor het droog schorssteeltje, het melig stofkopje en het ruig pruikspijkertje.” Met een loep om zijn nek struint bosecoloog Klaas van Dort door het bos ten zuiden van Wolfheze, tussen Arnhem en Wageningen. Opgetogen somt hij op: „Verdroging. Verzuring. Boomziektes. Parasitaire kevers die hele bossen aantasten. Overal dode of afstervende bomen. Kortom, een walhalla voor coniocarpen.”

Bij een fors uitgevallen dode den blijft hij staan. Hij brengt de loep aan zijn oog – 14× vergroting, met ingebouwde led-lampjes om in donkere spleten te kunnen kijken – en nadert de boom zo dicht dat het puntje van zijn neus de stam raakt. „Bart, kijk hier! Prachtig. Grote aantallen droog schorssteeltje.” Achter hem brengt natuurfotograaf Bart Horvers zijn camera in gereedheid voor een close-up van de boom: „Weet je zeker dat het geen bruin schorssteeltje is?” „Nee, ik zie witte rijp.”

Beide mannen hebben een knaloranje loepkoord om hun nek van de BLWG, de Nederlandse werkgroep van mossen en korstmossen waar ze elkaar leerden kennen. De afgelopen jaren trokken ze regelmatig samen de bossen in, op zoek naar oud hout of, om preciezer te zijn: naar de binnen de biologie nog vrij onbekende groep van de coniocarpen. „Millimetergrote speldenknopjes”, zegt Van Dort. „Als je niet weet dat ze bestaan loop je er zo aan voorbij.” Ze groeien op grote afstervende of dode bomen: in diepe spleten in de bast, of juist op ontschorste stammen. „Maar altijd op dode of aftakelende bomen die nog overeind staan, niet op omgevallen exemplaren. En zonder uitzondering op een neerslagluwe plek. Coniocarpen zijn zo teer dat ze niet tegen de directe inslag van regendruppels kunnen. Regenschaduwspecialisten.”

Met één boom kun je gerust een half uur zoet zijn

Zeker de soorten die in schorsspleten groeien zijn moeilijk te zien. Maar er is nóg een reden dat er over schorssteeltjes en andere coniocarpen relatief weinig bekend is. Van Dort: „Ze vormen een lastige groep. Het zijn geen echte korstmossen, althans, niet alle soorten. Officieel zijn het zakjeszwammen en behoren ze tot het schimmelrijk. Maar soms gaan ze wel degelijk samenwerking aan met een alg, net als korstmossen. En dan spreek je van een gelicheniseerde schimmel: een schimmel die tot korstmos is uitgegroeid.”

Met al die namen is een korte toelichting op zijn plaats. Van Dort: „Allereerst heb je het verschil tussen mossen en korstmossen. Mossen zijn eenvoudige planten, die vaak groene, zachte ‘kussens’ vormen en van vocht houden. De meeste korstmossen vormen korsten en zijn geen planten maar samenwerkingsverbanden. Meestal tussen een schimmel en een alg, maar soms is het complexer, en komt er ook nog een gist aan te pas, of een tweede schimmel.” Algen zijn geen planten, maar halen wel net als planten hun energie uit zonlicht. En schimmels vormen ook weer een aparte groep, waartoe onder andere paddestoelen horen. Horvers: „Een coniocarp is dus een vreemde eend in de bijt. Soms schimmel, soms korstmos, afhankelijk van de soort.” Met mossen hebben coniocarpen sowieso weinig te maken. „Mossen houden van vocht, coniocarpen dus juist niet.”

Vrij vertaald betekent coniocarp ‘sporendrager’. Net als bij een paddestoel worden er sporen gevormd die meestal door de wind worden verspreid. Dat sporenhoofdje is bij coniocarpen meestal rond van vorm, en groeit op een steeltje van schimmeldraden: vandaar het speldachtige uiterlijk. Juist omdat ze veelal in spleten groeien, hebben ze die steel nodig, legt Van Dort uit. „Anders vangen ze geen wind, en kunnen ze zich dus ook niet verspreiden. Ze moeten hun nek uitsteken om de wereld te veroveren.”

Diverse soorten coniocarpen hebben sporenhoofdjes in kenmerkende kleuren. Bij bruine sporenhoofdjes heb je te maken met schorssteeltjes, bij zwarte met boomspijkertjes en bij blauwgroene met pruikspijkertjes.

In het geval van een ‘korstmos-coniocarp’ ligt er aan de basis van het steeltje nog een korst van een met schimmeldraden doorgroeide alg: het thallus. Horvers pakt het boek erbij dat ze onlangs samen uitbrachten via de KNNV, de Nederlandse vereniging voor veldbiologie. Een uitgebreid geïllustreerd naslagwerk over coniocarpen, inclusief determinatietabel. „Kijk, hier zie je dat het grijs schorssteeltje een thallus heeft, maar het droog schorssteeltje niet.” Die laatste heeft dan wel weer kenmerkende ‘witte rijp’ op de steel, iets waaraan het zijn dubbelganger – het bruin schorssteeltje – ontbreekt. Van Dort, enthousiast: „Ja, voor een leek lijkt het in het begin misschien wat ingewikkeld. Maar het is zó’n verrijking van je wandeling als je een loep meeneemt en dode bomen bestudeert. Het bos is één groot openluchtmuseum.”

Het coniocarpenboek is geheel tweetalig uitgegeven, in het Nederlands en het Engels. Horvers: „Er was nog maar zo weinig over gepubliceerd dat we besloten om het direct internationaal op de markt te brengen. Inmiddels hebben we het al verkocht aan ecologen in zestien landen.” In Nederland staan relatief veel coniocarpenwaarnemingen genoteerd in vergelijking met omringende landen. „Dat is waarschijnlijk een waarnemerseffect, omdat hier redelijk wat korstmoskenners wonen.” Van Dort vult aan: „Coniocarpen voelen zich vooral thuis op relatief oude bomen, met een flinke omvang. Oerbossen zijn daarvoor heel geschikt, maar die hebben we hier niet. Dus zie je ze bij ons vooral op oude landgoederen.” In totaal zijn er in Nederland 27 soorten waargenomen; uit heel Europa zijn er pakweg honderd bekend. „Maar ongetwijfeld zijn er nog vele niet-ontdekte soorten.”

Een goede manier om al bekende soorten te ontdekken op nieuwe vindplaatsen is het zoeken naar analogieën in het landschap. Van Dort is van plan om binnenkort af te reizen naar Slovenië. „Daar heb je een gebied met aftakelende wilgen, net als in de Biesbosch. En omdat er juist in de Biesbosch in 2016 – helaas niet door Bart en mij – een geheel nieuwe soort is ontdekt, het wilgenschorssteeltje, ben ik benieuwd of die daar ook te vinden is.”

De sporenvorming vindt, in tegenstelling tot bij paddestoelen, het hele jaar door plaats

Dat het zo goed gaat met coniocarpen is ook te danken aan een trend in natuurbeheer om dode bomen te laten staan, benadrukken Van Dort en Horvers. Waar bosbeheerders vroeger rottend hout vaak opruimden, laten ze het nu liggen – voor schimmels, paddestoelen, mossen en korstmossen, maar ook voor allerhande insecten. Het opruimen van dood hout is in die zin de grootste bedreiging voor coniocarpen. Van klimaatverandering ondervinden ze weinig hinder: in de schorsspleten heerst een vrij constant microklimaat. Horvers: „Daardoor is er ook geen duidelijk seizoenseffect. De sporenvorming vindt, in tegenstelling tot bij paddestoelen, het hele jaar door plaats.” De meeste coniocarpen zijn bovendien niet zo gevoelig voor luchtvervuiling en ammoniakbelasting. „Er is zelfs één soort, het korst schorssteeltje, die je alleen samen met de alg trentepohlia tegenkomt. En die alg is juist een ammoniakliefhebber.”

We lopen verder door het bos, terwijl Van Dort de dode bomen keurt. „Te dun. Te dun. Te levend. Aan de dunne kant.” Dan, met het zicht op een dikke den: „Daar gaan we op af!”

Dikke bomen zijn goede vindplaatsen voor coniocarpen, juist omdat ze zo oud zijn. „Ze staan soms al decennialang dood te gaan”, zegt Van Dort. „In tegenstelling tot een mens valt een dode boom niet in één klap om. Het afsterven is een voortdurend proces, en elke fase trekt weer andere soorten aan. Je hebt de pioniers die dol zijn op keihard hout. En langzamerhand wordt het hout steeds zachter en weker, en komen de molmminnaars.” Op brede, dikke bomen landen ook gewoon meer coniocarpensporen, voegt hij toe. „Een coniocarp maakt veel minder sporen aan dan een paddestoel, en hij moet maar net het geluk hebben dat die sporen op een goed stuk dood hout landen.” Hoewel de meeste sporen door de wind worden verspreid, blijven ze soms ook wel kleven aan de pootjes van schorskevers, die van boom naar boom vliegen. Die kevers boren gaten in de stam en maken de weg vrij voor houtafbrekende schimmels, waardoor de boom afsterft. „Een ideale situatie voor de coniocarpen: die kunnen zich mooi vestigen in de boorgaten die door de kevers zijn gemaakt. Daar zitten ze net zo beschut als in een spleet.”

Als je weet waar je op moet letten kun je coniocarpen al met het blote oog zien, zegt Horvers als we naast de grotendeels ontschorste eik staan. „Niet frontaal maar van de zijkant kijken.” En inderdaad: op de stam zijn minuscule zwarte streepjes te zien. Met de loep erbij zijn ze te determineren als grijs schorssteeltje. Horvers pakt zijn statief met camera erbij voor detailopnames.

Van Dort: „Je ziet: met één boom kun je gerust een half uur zoet zijn. Dus om alle dode bomen in Nederland op coniocarpen te onderzoeken, heb je heel veel tijd nodig. Gelukkig zijn er, binnen onze werkgroep, steeds meer jonge korstmosenthousiastelingen, die óók interesse hebben in coniocarpen. En ik hoop dat er daar nog heel wat van bijkomen.”

De foto’s in dit artikel zijn gemaakt door natuurfotograaf Bart Horvers en komen uit het boek over coniocarpen dat hij samen met Klaas van Dort maakte.

Bij het fotograferen past hij een methode toe die focus stacking wordt genoemd en die ervoor zorgt dat de gehele foto scherp is. De close-ups van de coniocarpen maakt hij met behulp van een microscoop met een vergroting van 60×.

Klaas van Dort & Bart Horvers: Coniocarpen Regenschaduwspecialisten KNNV Tilburg, 192 blz., €25

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Heeft u een tip over dit onderwerp, ziet u een spelfout of feitelijke onjuistheid? We stellen het zeer op prijs als u ons daarover een bericht stuurt. U kunt ons ook anoniem een tip geven.